Kansenongelijkheid: Ruim vijf jaar na het afschaffen van loting is duidelijk dat het de kansenongelijkheid in het hoger onderwijs vergroot heeft en collegezalen homogener maakte.


Yvo Smulders zou nooit zijn aangenomen bij een geneeskunde-opleiding als hij de huidige selectieprocedure had moeten doorlopen. Motivatie? „Ik wilde vooral in een grote auto rijden. En ik wilde geloof ik iets heldhaftigs gaan doen. Ik was helemaal niet volwassen. Je bent dan achttien, hè – wat weet je dan?”

Smulders is hoogleraar interne geneeskunde aan de Amsterdam UMC. „Ik hoop ook dat ik een goeie dokter ben.” De loting voor geneeskunde waar hij destijds door kwam, ruim dertig jaar geleden, was een prima selectiemiddel, vindt hij. Dat was een gewogen loting. „Als je hogere cijfers had op school, kreeg je wel meer kans in die loting. Toen ik dat hoorde, ben ik een jaar hard gaan werken. Maar eigenlijk haalde ik altijd zevens.”

Kijk even mee in de collegezalen van een opleiding geneeskunde nu. De kans is groot dat de meeste studenten op elkaar lijken. Het leeuwendeel is wit, vrouw en heeft ouders die tot de 10 procent rijkste Nederlanders behoren. De ‘blonde paardenstaartjes’ domineren, wordt weleens grappend gezegd. Klinkt lollig, maar de ondertoon is serieus: studenten bij medische studies vormen geen afspiegeling van de maatschappij. Kinderen van ouders met een migratieachtergrond zijn ondervertegenwoordigd. Net als eerstegeneratiestudenten: zij die als eerste van hun familie naar een universiteit of hogeschool gaan. En nu zijn zelfs mannen ondervertegenwoordigd.

De selectiemethodes die universiteiten sinds 2000 geleidelijk zijn gaan gebruiken om te schiften in de grote groep schoolverlaters die naar populaire studies willen staat ter discussie. Loting werd in 2017 afgeschaft omdat het oneerlijk zou zijn: heel gemotiveerde leerlingen vielen alsnog buiten de boot. Maar de selectie die sindsdien wordt toegepast voor geneeskunde, diergeneeskunde, tandheelhunde en psychologie heeft ook een ongunstig effect: er komt vrijwel alleen een bepaald type student binnen.

Dat zijn consciëntieuze leerlingen met hoge cijfers, een mooi ‘cv’ en een goed onderbouwde motivatie. En op achttienjarige leeftijd zijn dat vooral meisjes. Met hoogopgeleide, welgestelde ouders. „En een waterflesje bij zich”, zegt Smulders.

Elk jaar proberen tussen 5.000 en 9.000 vwo’ers te worden toegelaten tot één van de 2.785 geneeskundeplekken. Ruim 1.200 scholieren doen toelatingsexamen voor de 225 plekken bij diergeneeskunde. 1.363 melden zich voor een van de 243 plekken bij tandheelkunde. Zelfs voor de 5.800 studieplekken voor psychologie zijn veel te veel aanmeldingen.

De ‘decentrale selectie’, waarbij universiteiten en hogescholen zelf selectiecriteria mogen hanteren, zou aan oneerlijkheid een eind maken. Voortaan konden opleidingen vooraf kijken naar cijfers én naar motivatie van aankomende studenten.

Dit model wordt ruim vijf jaar later door veel opleidingen gebruikt: vorig studiejaar selecteerde 17 procent van de voltijd hbo-bacheloropleidingen, 16 procent van de bacheloropleidingen aan universiteiten en ruim een derde van de universitaire masteropleidingen. Ze laten aspirant-studenten een toelatingsexamen doen, vragen om motivatiebrieven, aanbevelingen, cijferlijsten, een cv met praktijkervaring, of een combinatie daarvan.

Niet alleen studies met meer aanmeldingen dan beschikbare plekken, zoals medische opleidingen, selecteren. Ook opleidingen zonder capaciteitsprobleem gebruiken het om vooraf kandidaten af te wijzen, blijkt uit een kritisch rapport van de Onderwijsinspectie dat vorige week verscheen.

Universiteiten hebben volgens Rolf Groenwold, hoogleraar klinische epidemiologie aan het LUMC in Leiden, allerlei „hoepels” bedacht waar de scholier door moet springen om te worden toegelaten tot een van die numerus fixus-opleidingen. „Ik begrijp niet waarom het vwo-diploma alleen niet goed genoeg is voor bijvoorbeeld geneeskunde”, zegt hij. „De meeste jonge geneeskundestudenten hebben nu een training gevolgd, tegen betaling, om zo de selectie door te komen. Als je dat niet kunt betalen of niet weet dat het bestaat, dan heb je minder kans om te worden toegelaten.”

Jaber Asaksak (27), zesdejaars geneeskunde – „Bijna klaar!” – was lang de enige student in de collegezaal met een Marokkaans-Nederlandse achtergrond én een van de weinigen die niet uit een artsenfamilie kwamen. Hij wist al jong dat hij later arts wilde worden en sloot zich drie maanden op om te studeren voor de selectietoets. Eenmaal binnen bij geneeskunde hoorde hij van andere studenten dat zij vrijwel allemaal door hun ouders naar speciale trainingsdagen waren gestuurd. „Had ik nog nooit van gehoord.”

Potpourri van selectiecriteria

Waarom al die hoepels? „Dat is vaak onduidelijk”, zegt Susanne Rijken, inspecteur hoger onderwijs bij de Onderwijsinspectie. „Er wordt een potpourri van selectiecriteria en –instrumenten gebruikt om te selecteren, vaak zonder dat helder is wat het doel is.”

Selectie komt de toegankelijkheid van het hoger onderwijs niet ten goede, waarschuwt de inspectie. Het vergroot de kans dat je bij voorbaat een groep aspirant-studenten uitsluit: jongeren voor wie studeren niet vanzelfsprekend is, omdat hun ouders het niet hebben gedaan. En laatbloeiers, of scholieren die denken dat ze de selectie toch niet zullen halen.

„Bepaalde groepen hebben nu minder kans toegelaten te worden”, zegt Rijken. „We zien dat de studentenpopulatie bij opleidingen waar wordt geselecteerd daardoor homogener is geworden. Minder divers.”

Volgens huisarts (en de Volkskrant-columnist) Danka Stuijver zou gedeeltelijke afschaffing van de decentrale selectie ertoe kunnen leiden dat meer studenten zónder hoogopgeleide ouders een kans maken op een plek bij geneeskunde. „Dat zou wel goed zijn. Je wilt toch wat diversiteit in de ziekenhuizen en de huisartsenzorg. Als je artsen hebt met verschillende achtergronden, kun je patiënten met verschillende achtergronden beter helpen.”

Ook traumachirurg en opleider Marijn Houwert, van het UMC Utrecht, vindt de huidige populatie jonge geneeskundestudenten iets te eenzijdig samengesteld. Hij vraagt zich af of je van heel hoge cijfers halen de beste zorgverlener wordt. „Je moet als arts ook communiceren en sociaal zijn. Geïnteresseerd zijn in de persoon die tegenover je zit.”

Waar je wieg staat

Loting maakt geen onderscheid in waar je wieg stond, terwijl selectie dat in zekere zin wel doet. Het werkt kansenongelijkheid in de hand, schrijft Louise Elffers, bijzonder hoogleraar en lector aan de Universiteit en Hogeschool van Amsterdam, in haar vorig jaar verschenen boek Onderwijs maakt het verschil. Kansenongelijkheid in het Nederlandse onderwijs: „Bij het gebruik van motivatie-indicatoren ligt de invloed van kapitaal op de loer. Voor het schrijven van een goede motivatiebrief helpt het bijvoorbeeld als je ouders weten wat de bedoeling van zo’n brief is en de brief kunnen nalezen op taalfouten [...] Studenten van wie de ouders niet hebben gestudeerd in het hoger onderwijs, de eerstegeneratiestudenten en studenten van wie de ouders de Nederlandse taal minder goed beheersen, hebben minder toegang tot zulke hulp.”

Onderzoek van Lianne Mulder, die promoveert aan het Amsterdam UMC op kansenongelijkheid in selectieprocedures, toont dit haarfijn aan. Mulder vergeleek verschillende nationale cohorten kandidaten bij medische studies. Meisjes en kandidaten met rijke ouders (behorend tot de 10 procent welvarendste Nederlanders) hadden ook toen er nog voornamelijk werd geloot meer kans om te worden toegelaten. „Er was destijds sprake van gewogen loting”, zegt Mulder. „Hoe hoger je cijfers, hoe hoger de kans dat je werd ingeloot.”

En meisjes, blijkt uit eerdere onderzoeken, halen op het vwo gemiddeld hogere cijfers dan jongens. Bovendien sturen ouders die het kunnen betalen hun kind vaker naar bijles en huiswerkbegeleiding om betere cijfers te halen.

Na de invoering van selectie werd dit effect nog sterker en kwamen er twee variabelen bij, zag Mulder. Kandidaten met ouders die zelf als zorgverlener werkten (als arts of fysiotherapeut, bijvoorbeeld) maakten meer kans, terwijl kandidaten met ouders met een migratieachtergrond (uit Marokko, Turkije, Suriname of Caribisch Nederland) juist minder kans maakten om door de selectie te komen.

Het aandeel medische studenten met een dergelijke migratieachtergrond nam af van 6,6 naar 5,7 procent, becijferde Mulder. Terwijl het percentage kandidaten met deze migratieachtergronden dat zich aanmeldden voor een medische studie in dezelfde periode toenam, van 6,4 naar 7,1 procent.

Ook recent onderzoek van promovenda Suzanne Fikrat-Wevers (Erasmus MC) toont aan dat verschillende selectie-instrumenten tot kansenongelijkheid kunnen leiden. „Door te selecteren op cijfers worden kandidaten met een lagere sociaal-economische achtergrond benadeeld, terwijl een proefstudeertoets of het vragen om een cv met praktijkervaring kandidaten met een migratieachtergrond kunnen benadelen”, zegt zij.

Een netwerk in de medische sector is een belangrijke factor geworden in de race om een plek. En dat is gemakkelijker als een van je ouders arts is, of bevriend met een tandarts.

Een meerderheid van de Tweede Kamer is inmiddels voor terugkeer van loting, om een eind te maken aan deze kansenongelijkheid, bleek afgelopen week tijdens een Kamerdebat (zie inzet).

Maar loting is geen echte oplossing, denkt Mulder. „Je compenseert daarmee niet de kansenongelijkheid die al eerder in het onderwijs is ontstaan.”

Hoe het wel moet? Daarvoor wijst Mulder naar toelatingsprocedures op buitenlandse universiteiten. Zij doen aan contextualized admissions”, zegt Mulder. Ze kijken naar de prestaties van kandidaten in de context waarin die zijn behaald. Met andere woorden: de opleidingen hebben iets meer oog voor aspirant-studenten die ondanks bijvoorbeeld sociaal-economische hindernissen tot hier zijn gekomen. „Zo kun je resultaten, zoals schoolcijfers, anders wegen en meer kansen bieden aan groepen kandidaten voor wie het niet vanzelfsprekend is dat zij naar de universiteit gaan.”

De vele eisen die worden gesteld aan de scholier en aan ambitieuze jonge studenten leveren hen vooral veel stress op, zegt Yvo Smulders. „Al die stages en andere prestaties die ze leveren geven ze wel een plek bij de studie geneeskunde. Maar er kan best wat druk af – er moet meer tijd zijn om te mijmeren, om je te vervelen. Daar leer je als student ook van. Je moet je toch ook ontwikkelen als mens, ook als je dokter wordt.”

Referenties