Universiteiten moeten strenger selecteren aan de poort, luidt advies aan regering

Studieplekken in de universiteit van Wageningen. In de Keuzegids Universiteiten van 2016 is de universiteit voor de twaalfde keer op rij uitgeroepen tot de beste universiteit van Nederland. Beeld ANP

Nieuws terugdringen studie-uitval

Universiteiten en hogescholen moeten meer mogelijkheden krijgen om te selecteren aan de poort. Zo kan studie-uitval worden teruggedrongen. Bovendien kunnen onderwijsinstellingen zich beter van elkaar onderscheiden door te selecteren op studenten met specifieke talenten.

Dat schrijft de Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie (AWTI) – een onafhankelijk adviesorgaan van de regering, vergelijkbaar met de SER of de WRR – in een rapport dat minister Ingrid van Engelshoven (Onderwijs, D66) woensdag in ontvangst neemt.  

Op verzoek van het kabinet onderzocht de AWTI hoe toekomstbestendig het hoger onderwijs is. Nu doet Nederland nog mee in de wetenschappelijke wereldtop, maar dat kan snel veranderen, vreest de raad. De financiering staat onder druk en universiteiten onderscheiden zich te weinig van elkaar.  

Voorzitter Uri Rosenthal wijst er bovendien op dat er een mismatch bestaat tussen opleidingen en arbeidsmarkt. ‘Gevolg daarvan is bijvoorbeeld een tekort aan afgestudeerden in bèta en techniek.’  Ook is de uitval onder studenten volgens hem veel te hoog. ‘Een kwart, soms een derde van de studenten komt in het eerste jaar niet op een passende opleiding terecht.’

Als het aan de adviesraad ligt, moeten daarom meer bacheloropleidingen studenten kunnen selecteren. Nu mogen alleen studies met een numerus fixus en intensieve, kleinschalige opleidingen dat. Sinds 2014 mogen alle masteropleidingen wel al aanvullende eisen stellen aan studenten. Daarvan wordt veelvuldig gebruik gemaakt: bijna één op de drie masters selecteert inmiddels aan de poort.

Studentenorganisaties vrezen dat de groeiende selectie ten koste gaat van de toegankelijkheid van het onderwijs. Volgens Tom van den Brink, voorzitter van het Interstedelijk Studenten Overleg (ISO), is er de laatste jaren bovendien een ‘wildgroei’ aan selectiemethodes ontstaan. ‘Opleidingen onderwerpen studenten aan allerlei testjes om te zien of ze geschikt zijn. Die methodes zijn vaak niet wetenschappelijk onderbouwd.’ 

Niemand slechter 

Volgens raadslid Sjoukje Heimovaara, leider van de onderzoeksgroep die het advies opstelde, wordt niemand slechter van zorgvuldige selectie. ‘Het middel kan nog scherper worden ingezet. Nu gebruiken we het eerste studiejaar vaak als selectiejaar, een ongelooflijke verspilling van tijd en energie voor zowel student als onderwijsinstelling.’

Pieter Duisenberg, voorzitter van de Vereniging van Samenwerkende Universiteiten (VSNU), zegt in een reactie: ‘Wij willen best stappen zetten in een betere plaatsing van studenten op de juiste plek, maar we zijn nu nog verplicht elke student toe te laten.’

Het Nederlandse hoger onderwijs is de laatste jaren explosief gegroeid. Universiteiten hebben allemaal  – ook de vier technische universiteiten - hun onderzoeksprofiel verbreed, in plaats van zich te concentreren op de gebieden waarin ze uitblinken. Daardoor, concludeert de raad, is Nederland op onderwijs- en onderzoeksgebied steeds vaker een ‘doorgangsland’ voor toptalent, dat zich daarna in het buitenland aan gespecialiseerde universiteiten verder ontwikkelt.

Om dat tegen te gaan, moet het hoger onderwijs anders gefinancierd worden, schrijft de raad. Nu loont het om zoveel mogelijk studenten binnen te halen. Daardoor is er een overschot aan afgestudeerden in studies als taal, cultuur, gedrag en maatschappij, die lang niet allemaal een baan op niveau vinden. 

Waakhond

Volgens de raad moet de minister regie voeren over een meer gevarieerd stelsel van hoger onderwijs. Het toezicht kan zij in handen leggen van een nieuw op te richten ‘stelselautoriteit’. Die waakhond, zoals bijvoorbeeld Ierland en Zwitserland die hebben, moet ervoor zorgen dat de universiteiten en hogescholen meer met overkoepelende maatschappelijke belangen bezig zijn en minder met zichzelf.

Onderwijsinstellingen moeten zich kunnen profileren, om onnodige concurrentie en versnippering van middelen tegen te gaan. Daarvoor moeten de instellingen specifieke middelen krijgen, minimaal 300 miljoen euro. Heimovaara: ‘Doordat instellingen op elkaar lijken, doen ze eerder aan landje pik dan dat ze met elkaar samenwerken.’


Terug naar overzicht