Zo vader, zo dochter – maar waarom eigenlijk?

Sommige beroepen komen al generaties lang in een familie voor: een ‘geslacht’ van advocaten, hele gezinnen vol acteurs. Maar waarom zou je als kind, in een tijd dat er zoveel keuzevrijheid is je eigen pad te bewandelen, tóch dezelfde keuze maken als je ouders en grootouders?

Kinderen identificeren zich sterk met hun ouders, zegt neuropsychiater en psychotherapeut Theo Compernolle. „Zij zijn en blijven onze belangrijkste rolmodellen.” Zoals een jongetje van drie precies
loopje heeft of dezelfde woorden gebruikt als zijn vader, zo kijken we ook naar onze ouders als het gaat om beroepskeuze. „Als zij enthousiast vertellen over hun werk, heeft dat nog altijd meer impact dan alle beroepsmogelijkheden die je op het internet tegenkomt.”

Toch kan dat „kijken” naar het werk van je ouders net zo goed de nodige nadelen hebben, weet Compernolle, wiens vader óók arts was. „Aan de ontbijttafel voerde mijn vader telefoontjes met patiënten. Of we zaten als kinderen in het weekend in de auto te verkleumen, terwijl hij bij een patiënt op bezoek was.” Misschien is het wel daarom dat zijn vijf broers en zussen weer een heel ander vak kozen. 

CIJFERS

Uit de General Social Survey (2017), een groot Amerikaans bevolkingsonderzoek van de Universiteit van Chicago, blijkt dat kinderen relatief vaak het beroep van hun ouders kiezen. Mannen met een willekeurig beroep (zoals een slager, lasser of rechter) hebben 2,7 keer zo vaak een vader die ook slager, lasser of rechter is, dan je zou verwachten op basis van toeval. De invloed van vaders op hun zonen is het grootst. Vrouwelijke slagers, lassers of rechters (of welk beroep dan ook) hebben maar 1,8 keer zo vaak een moeder met hetzelfde beroep. Deze cijfers gelden alleen voor de VS, maar geven een goed beeld. In Nederland werd dit fenomeen nooit op grote schaal onderzocht.

Zelf wilde hij aanvankelijk het liefst biologie studeren. „Maar op weg naar de universiteit om me daarvoor in te schrijven, ben ik van gedachten veranderd. Het werd geneeskunde.” Of zijn vaders beroep daarin een directe rol heeft gespeeld, durft Compernolle niet te zeggen. „Het was een soort ‘eureka-moment’: een plotselinge ingeving. Zulke intuïtieve beslissingen neem je nooit bewust.” 

De vraag is natuurlijk ook hoe vrij kinderen zich voelen om een andere keuze te maken dan hun voorgangers. Durft een telg uit een juristengeslacht zomaar verpleegkundige te worden? 

Compernolle: „Ouders die graag willen dat hun kinderen in hun voetsporen treden, kunnen wel zéggen dat ze hen vrijlaten, maar onbewust toch allerlei non-verbale signalen uitzenden.” Kinderen voelen vervolgens aan dat hun ouders het fantastisch zouden vinden als ze dezelfde kant opgaan en schikken zich, soms ook onbewust, naar de wensen van hun ouders. „Je ziet dat vooral bij familiebedrijven die moeten worden voortgezet, maar het geldt ook voor andere beroepen.”

Compernolle vertelt bijvoorbeeld over een moeder die graag wil dat haar zoon ingenieur wordt, om later in het bedrijf van haar vader te komen werken. „De kans is groot dat wanneer haar zoon vragen heeft over wiskunde en natuurkunde, zij daar méér aandacht aan geeft dan wanneer hij iets vraagt over geschiedenis of taal.” 

Compernolle ervoer dat zelf toen hij met mooie cijfers slaagde voor zijn eerste jaar geneeskunde. „Ik belde mijn vader en las de cijferlijst voor. Het bleef stil aan de andere kant van de lijn. ‘Je vader is gevallen’, hoorde ik mijn moeder zeggen. Hoewel hij nooit had laten merken dat hij het belangrijk vond, was hij ineens van blijdschap van zijn stokje gegaan.” 

Genetische astrologie

Als kinderen dezelfde talenten hebben als hun ouders of grootouders, wordt ook vaak gezegd dat het in de genen zit. Maar Maarten Larmuseau, als genetisch genealoog verbonden aan de Katholieke Universiteit Leuven , relativeert de invloed van ‘genen’ op onze beroepskeuze. „Zulke keuzes worden hoofdzakelijk bepaald door opvoeding, niet door biologische aanleg .”

Mensen die een eeuwenlange familiegeschiedenis uitpluizen en hun huidige gedrag en emoties daaruit proberen te verklaren, doen volgens Larmuseau zelfs aan „genetische astrologie”. „Een kunstschilder die verwant is aan een vijftiende-eeuwse kunstenaar, meende dat zijn talent in de genen zat. Maar van zijn duizend voorouders was er slechts één kunstenaar geweest – dat is dan gewoon toeval.”

Een beroepskeuze wordt vooral bepaald door wat je in je jeugd hebt meegemaakt, stelt ook Larmuseau. „Mijn vader was wetenschapper en vertelde me vaak over zijn passie. Dat vond ik fantastisch. Zonder mijn vader had ik waarschijnlijk niet voor de wetenschap gekozen.”

Spelen je genen dan geen énkele rol? Larmuseau: „Creativiteit, zoals muzikaliteit, en sportiviteit zijn gedeeltelijk genetisch bepaald. Bij Mathieu van der Poel, die net als zijn vader en grootvader van moederskant een succesvol wielrenner is, zit de sportieve aanleg bijvoorbeeld deels in zijn biologie verstopt.” Maar om arts te worden, hoef je geen bijzonder talent te hebben, zegt Compernolle, hoogstens een goed stel hersens. 

Bovendien hangt het ook dan van de omstandigheden af, wat je met een bepaald talent doet. „Als je een inspirerende gymleraar had, wil je misschien professioneel sporter worden. Maar als je oma ballerina was, kies je eerder voor ballet.” En dan kom je toch weer uit op die opvoeding.

Bron: Sjoerd Wielenga, NRC

Terug naar overzicht